hulpmiddelen |
Zweefvliegen (sport)Zweefvliegen is vliegen met een zweefvliegtuig. Een zweefvliegtuig vliegt op dezelfde manier als een vliegtuig, maar gebruikt doorgaans geen motor. Daardoor verloopt de vlucht normaliter in een dalende lijn waarbij het toestel 0,5 à 1 meter per seconde aan hoogte verliest. Door hoogte te winnen in stijgwind kan het toestel langer en verder vliegen. Hoogte kan na de start gewonnen worden door gebruik te maken van thermiek, hellingstijgwind of golf. Als die er niet is, duurt een vlucht door middel van een lierstart 4 à 13 minuten. Zweefvliegen is een teamsport. Er is een team van mensen nodig om een zweefvliegbedrijf te kunnen draaien (tiploper, kabelrijder, lierist, lichtgever, enz.). Er wordt verwacht dat iedereen meehelpt. In Nederland zijn er ongeveer 40 zweefvliegclubs en in België 20. De lessen worden door vrijwilligers gegeven.
[bewerk] GeschiedenisIn het begin van de 19e eeuw onderzocht George Cayley de mogelijkheden van vliegen en hij ontwierp een zweefvliegtuig. Dat ontwerp vloog als een model in 1804. Hij ontwikkelde dat model verder en op juli 1853 vloog zijn ontwerp met zijn koetsier. Otto Lilienthal bestudeerde het vliegen van vogels. Door van een heuvel af te springen kon hij korte vluchten maken. Hij maakte meer dan 2000 vluchten met zijn door hemzelf ontworpen zweefvliegtuig tussen 1889-1896. Op 9 augustus 1896 stortte hij neer en overleed de volgende dag aan zijn verwondingen. Zijn ideeën werden later gebruikt door de gebroeders Orville en Wilbur Wright. In 1900 gingen ze naar Kitty Hawk in Noord-Carolina, omdat het daar vaak hard waait. Van 1900 tot 1902 experimenteerden ze met zweefvliegtuigen, elk jaar bouwden ze een nieuw zweefvliegtuig. Het laatste zweefvliegtuig bevatte veel belangrijke veranderingen en ze maakten er meer dan duizend vluchten mee. Op dat moment waren ze waarschijnlijk de beste zweefvliegers van de wereld. Hun doel was om op het zweefvliegtuig een motor te plaatsen. Dat deden ze en het vliegtuig noemden ze de Flyer. Zij maakten met de Flyer op 17 december 1903 de eerste geslaagde motorvlucht. Door de enorme belangstelling die ontstond voor het gemotoriseerde vliegen raakte het zweefvliegen in de vergetelheid. De echte ontwikkelingen van het zweefvliegen begonnen na de Eerste Wereldoorlog. Wegens het verdrag van Versailles mocht Duitsland geen gemotoriseerde vliegtuigen meer hebben. De Duitsers wilden toch graag vliegen en ze begonnen zweefvliegtuigen te ontwikkelen. Ze keken naar hun voorganger Otto Lilienthal en op verschillende heuvels werden zweefvliegtuigen gebouwd. Oskar Ursinus verzamelde de zweefvliegers op de Wasserkuppe en daar werden veel records gevlogen. Dit maakte veel mensen enthousiast en in heel Duitsland ontstonden zweefvliegclubs. In 1920 werd op de Wasserkuppe de eerste wedstrijd (Wettbewerb) georganiseerd door Oskar Ursinus. [bewerk] NederlandDe ontwikkeling van het zweefvliegen in Nederland kwam pas echt op gang in 1929 nadat Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Luchtvaart (KNVvL) de mogelijkheid onderzocht om zweefvliegen te introduceren in Nederland. Daarvoor werd de Duitse constructeur en deskundige Alexander Lippisch uitgenodigd en hij oordeelde positief. Het eerste zweefvliegtuig van de KNVvL werd in Nederland gemaakt door Panders hoofdontwerper Theo Slot, de Zögling (een ontwerp van Lippisch). De bouw startte op 20 januari 1930 en op 6 april werd de eerste testvlucht gemaakt door J.E. van Tijen. De volgende dag, 7 april, werd de Eerste Nederlandse Zweefvliegclub (E.N.Z.C.) opgericht en andere zweefvliegclubs volgden. De E.N.Z.C. schafte later de Mayer (PH-2) aan. Inmiddels telt Nederland ongeveer 40 zweefvliegclubs en de KNVvL afdeling Zweefvliegen is nog steeds de overkoepelende organisatie. [bewerk] BelgiëIn België werd voor het eerst in 1923 gevlogen met een zweefvliegtuig. Dit geschiedde door Victor Simonet en Kapitein Lambert te Remouchamps. Twee jaar later kwam Simonet om bij een zweefvliegdemonstratie en duurde het tot 1930 eer er weer een poging werd gewaagd. Wolf Hirth maakte toen op verzoek van Suzanne Lippens een zweefvlucht van ruim 1 uur nabij Leuven. Op 11 maart 1931 werd vervolgens de "Cercle Universitaire Catholique de Vol sans Moteur" opgericht in Leuven met als eerste aankoop een Kassel 12 gebouwd door SABCA. België telt ongeveer 22 zweefvliegclubs. [bewerk] SurinameHet zweefvliegen in Suriname begon rond 1960, met een door Fokker gebouwde Gövier[1] - Fokkers eerste naoorlogse vliegtuig - op vliegveld Zanderij. Toen in 1973 Suriname onafhankelijk werd, hield ook de zweefvliegclub er mee op. Pas in 1995 kwam het zweefvliegen weer van de grond nadat Paul Kamps een Scheibe Specht zweefvliegtuig importeerde en er de zweefvliegclub AKKA [2] - Surinaams voor roofvogel[3] - oprichtte [4]. [bewerk] Startmiddelen[bewerk] LierstartEen lier is een combinatie van een motor met een koppelomvormer en een kabeltrommel op een vrachtwagen of een getrokken onderstel van tenminste 200 pk. De meest gebruikte conventionele lieren in Nederland zijn van het Nederlandse merk MEL Van Gelder (Machinefabriek Etten-Leur). Op een lier zitten 1 tot 6 staal- of kunststofkabels van minimaal 1000 tot 2400 meter. Aan het einde van de kabel is een kabelchute bevestigd met een diameter van maximaal 2,00 meter. De kabelchute blijft gesloten bij het oplieren en gaat pas open na het ontkoppelen van het vliegtuig bij het vallen van de kabel die dan door de lierist ingehaald wordt. Tussen de chute en het zweefvliegtuig zit een touw van 30 meter en een breukstuk. Dit breukstuk (in feite een mechanische zekering) breekt als er teveel kracht op komt te staan, bedoeld om overbelasting van het vliegtuig te voorkomen. Bij de start accelereert het vliegtuig in een paar seconden tot ongeveer 100 kilometer per uur. Vrij snel neemt het vliegtuig een steile hoek aan, ongeveer 45º. Na ongeveer 30 seconden is een bepaalde hoogte bereikt, dit hangt af van o.a. de lier, de steilheid en de wind. De ene keer kun je dus op 300 meter komen, de andere keer op 500 meter. Het zweefvliegtuig is nu bijna recht boven de lier. De lierman sluit het gas, de zweefvlieger voelt dat en ontkoppelt de kabel. Daarna wordt de kabel snel ingelierd, zodat hij niet in de knoop valt.De kabelshute helpt hier door de luchtweerstand die hij opwekt, hierdoor raakt de kabel minder gemakkelijk in de knoop. De zwaartepuntshaak is zodanig van constructie dat de kabel eraf valt als er een kracht naar achter ontstaat. Dus als de vlieger niet zelf ontkoppelt, geschiedt het ontkoppelen automatisch. Wordt er toch niet ontkoppeld, dan moet de lierman de kabel onmiddellijk kappen (doorhakken). De lier is dan ook van een kapinstallatie voorzien. Na het lieren worden de kabels aan een auto gehaakt en teruggetrokken naar de startplaats. Het grootste voordeel van lieren is dat het goedkoop is. Er zijn twee nadelen. Ten eerste kunnen de kabels door elkaar raken. Dit is wat men als lierman "spaghetti" noemt of in het Duits "seilsalat". Het kan enige tijd kosten om alles te ontwarren waardoor het vliegbedrijf gauw een half uur tot een uur stil ligt. Het tweede nadeel is dat het zweefvliegtuig niet na de start in een thermiekbel wordt afgezet. [bewerk] SleepstartEen sleepvliegtuig sleept een zweefvliegtuig met een touw achter zich aan. De twee vliegtuigen zitten tijdens het slepen op ongeveer gelijke hoogte, maar doordat er snel gestegen wordt, is de slipstream van het sleepvliegtuig veel lager. Als de gewenste hoogte is bereikt signaleert de sleepvlieger dat door even met zijn vleugels te wiebelen (links-rechts-links), waarna de zweefvlieger ontkoppelt. De twee vliegtuigen vliegen volgens een vast patroon uit elkaar. Het motorvliegtuig maakt een dalende bocht naar links, het zweefvliegtuig maakt een stijgende bocht naar rechts. Hierbij wordt gelijk de oversnelheid omgezet in hoogte aangezien de snelheid van de sleepkist meestal een kilometer of twintig boven de optimale snelheid van de zweefkist ligt. Het sleepvliegtuig neemt het touw met breukstuk weer mee naar beneden. Hierna zijn twee varianten mogelijk: Of de sleepvlieger maakt een low-pass waarbij hij de kabel afwerpt in een daarvoor aangewezen gebied, of het toestel is voorzien van een oprolautomaat die de sleepkabel gedurende de daalvlucht intrekt. In Engeland ziet men wel dat de sleepvlieger mét de kabel landt, maar dat wordt over het algemeen te riskant gevonden. Als de zweefvlieger door de een of de andere oorzaak niet kan ontkoppelen roept hij de sleepvlieger op of doet hij zijn remkleppen uit om aan te geven dat hij niet kan ontkoppelen. De combinatie vliegt dan terug naar het veld om samen (of apart, nadat de sleepkist ontkoppeld heeft) te landen. Krijgt de sleepvlieger een motorstoring, dan ontkoppelt hij direct. De zweefvlieger ontkoppelt dan ook, maar als hij voldoende hoogte heeft kan hij proberen de kabel terug te brengen naar het veld. De voordelen van de sleepstart zijn dat het zweefvliegtuig zo goed mogelijk in een thermiekbel of golf afgezet kan worden en dat de vlieger zelf met geïnvesteerde euro's bepaalt hoe hoog hij gaat komen. Het grootste nadeel is dat het duurder is dan een lierstart. Tevens neemt de geluidsoverlast toe ten opzichte van een stille moderne lierinstallatie. Ook het brandstofgebruik van een sleepstart is een stuk hoger dan een lierstart, en dat is dus een milieunadeel. [bewerk] ZelfstartSommige zweefvliegtuigen zijn uitgerust met een motor in de romp achter de cockpit. Indien deze motor krachtig genoeg is, kan het toestel op eigen kracht starten. Deze wordt voor de start uitgeklapt. Na de start wordt de motor gestopt en ingeklapt waarop het zweeftoestel overgaat naar zuivere zweefvlucht. [bewerk] Oude en weinig gebruikte startmethodes
[bewerk] SignaleringEr zijn verschillende manieren om aan de lierman of sleepvlieger te signaleren wat hij moet doen. De tekens zijn afgesproken. Er kan gesignaleerd worden met een spreekverbinding (radio), een lamp (bijvoorbeeld de koplamp van een auto) of met gebaren. Om te gebaren naar een lierman, die meer dan een kilometer ver kan zijn, wordt een felgekleurd bord gebruikt (de 'plak'). Bij slepen volstaat men met armgebaren.
Veel gemaakte beginnersfouten:
[bewerk] InstrumentariumDe meeste zweefkisten hebben een niet al te uitgebreid instrumentarium. Er zijn echter 3 dingen waar je bijna niet buiten kan. [bewerk] SnelheidsmeterDeze werkt door de stuwdruk te meten. Er staan verschillende kleuren op de snelheidsmeter.
[bewerk] Hoogtemeter(zie ook altimetrie Dit is in feite een barometer gekoppeld aan een hoogteschaal. De hoogtemeter is verstelbaar zodat je hem kunt afstemmen op:
[bewerk] VariometerDeze meet of je omhoog of omlaag gaat. Je gebruikt hem om thermiek bellen te 'zien'." Hier zit optioneel ook nog een MacCready ring omheen. [bewerk] OverigeVerder zit in de meeste kisten ook nog een radio ingebouwd. In Nederland mag er op 7 frequenties vrij gezonden worden door de zweefvliegerij. Verder kan er ook nog een elektronische versie van de variometer worden ingebouwd, die door middel van geluidssignalen aangeeft of je in stijg- of daalwind zit. Ook kan er een hele vliegcomputer worden ingebouwd, met functies als gps, ideale vliegsnelheidberekening enzovoort. De Nederlandse overheid wil vanaf juni 2008 het gebruik van een transponder verplicht gaan stellen. [bewerk] ZweefvliegveldenIn Nederland zijn ongeveer 40 zweefvliegvelden, waaronder 10 op militaire vliegvelden. Vliegveld Terlet is een belangrijk zweefvliegcentrum. In België zijn er ongeveer 16 zweefvliegvelden, waaronder 5 op militaire vliegvelden. Het nationale zweefvliegcentrum is gevestigd op Aérodrome de Saint-Hubert. [bewerk] OpleidingZweefvliegen mag in Nederland en België beoefend worden vanaf 14 jaar. De Nederlandse zweefvliegopleiding bestaat uit drie fases: EVO, VVO-1 en VVO-2. [bewerk] EVO (elementaire vliegopleiding)In deze fase worden de beginselen van het vliegen geleerd. De leerling wordt DBO’er genoemd. DBO staat voor dubbele besturingsonderricht. De leerling zit voorin in een tweezitter en de instructeur achterin. In het begin leert de leerling hoe de roeren werken, gecoördineerde bochten maken en rechtuitvliegen. Zodra de leerling dit onder de knie heeft, wordt er begonnen met het leren van de start. Als laatste leert de leerling een circuit vliegen en landen. Landen is het moeilijkste onderdeel van de elementaire vliegopleiding. De instructeur bepaalt wanneer de leerling zijn eerste solovlucht mag maken. Gemiddeld mag men na 50 à 75 starts solovliegen. Een 'solist' vliegt onder toezicht en verantwoordelijkheid van een instructeur, en moet binnen het zicht blijven (niet verder dan 5 km van het veld). [bewerk] VVO-1 (voortgezette vliegopleiding deel 1)In deze fase worden er oefeningen gedaan voor het halen van het brevet. De leerling wordt in deze fase solist genoemd. De solist staat onder de verantwoordelijkheid van de instructeur. Bij rustig weer en met recente vliegervaring mag de solist alleen vliegen. Dit wordt beoordeeld door de instructeur. In Nederland moet de solist onder andere deze landingen een aantal keer laten zien voordat hij examen mag doen:
Na drie goed uitgevoerde examenvluchten krijgt de solist in Nederland zijn brevet. [bewerk] VVO-2 (voortgezette vliegopleiding deel 2)In deze fase wordt de vlieger in Nederland ZVB-er genoemd. ZVB staat voor zweefvliegbewijs, dit is de oude naam voor het brevet; tegenwoordig heet het GPL:"Glider Pilot License". De vlieger is nu zelf verantwoordelijk voor zijn vliegen en kan passagiers meenemen, gaan kunstvliegen en/of overlandvliegen. [bewerk] OverlandvliegenBij overlandvliegen vliegt een zweefvlieger weg van zijn thuisveld en hij is dan niet meer in staat om in één steek (rechtuit vliegen zonder expliciet gebruik te maken van thermiek) naar zijn thuisveld te vliegen. Door van thermiekbel naar thermiekbel te vliegen kan het zweefvliegtuig in de lucht blijven en grote afstanden afleggen. Een overlandvlucht wordt van tevoren voorbereid en er wordt een opdracht gepland. Opdrachten variëren meestal van 50 km tot 500 km. De opdracht wordt zo gekozen, opdat men via een driehoek, veelhoek of een rechte lijn (heen en terug) weer terugkomt op het thuisveld. Het zweefvliegtuig blijft de hele opdracht in de lucht en het is niet de bedoeling om tussenlandingen te maken op andere vliegvelden. Zweefvliegtuigen blijven tijdens een overlandvlucht tussen de 500 meter en de wolkenbasis (voor een goede overlandvlucht > 1000 meter). Tijdens de vlucht worden voortdurend de wolken geobserveerd, de situatie ingeschat en beslissingen genomen. Als de aandacht afdwaalt of door besluiteloosheid, kan de zweefvlieger laag komen te zitten. Vaak is het dan niet meer mogelijk om het dichtstbijzijnde vliegveld te halen. Elke thermiekbel wordt gebruikt om omhoog te komen. De grond wordt bestudeerd op plekken waar de thermiek kan ontstaan en op mogelijke landingsvelden. Als het niet meer lukt om hoger te komen, wordt een weiland of akker uitgekozen om te gaan landen. Dit wordt buitenlanden genoemd en betreft dan een voorzorgslanding. Vaak wordt dit verward met het begrip noodlanding. Een buitenlanding is evenwel niet zonder gevaar: er kan een obstakel, onverwachte helling van het terrein of slechte begroeiing zijn. Echter, een zweefvliegtuig is op een landing in een normaal weiland of akker geconstrueerd. Deze ondergrond zal dus ook altijd de voorkeur van de zweefvlieger zijn. Zodra de landing is uitgevoerd, wordt de ophaalploeg gebeld en worden de coördinaten doorgegeven. De ophaalploeg komt met de aanhanger het zweefvliegtuig ophalen en hij wordt ter plekke gedemonteerd (vleugels en stabilo (vleugel op de staart) eraf). Om het probleem van buitenlandingen te omzeilen, hebben sommige moderne zweefvliegtuigen een uitklapbare motor. Er bestaan twee soorten uitklapmotors:
Een nadeel van zweefvliegtuigen met motor is dat ze op een hogere veilige hoogte gestart moet worden, terwijl zweefvliegtuigen zonder motor tot vlak voor de buitenlanding kunnen zoeken naar thermiek. [bewerk] WedstrijdenBij een wedstrijd wordt een overlandvlucht door alle deelnemers gevlogen, ze krijgen dezelfde opdracht. De winnaar is diegene die de meeste punten heeft gehaald voor de opdracht. Hoe sneller iemand vliegt (afstand delen door de tijd), des te meer punten hij krijgt. Bepaalde vliegtuigen hebben betere prestaties en daarom wordt er een correctie (handicap) op toegepast. Als een deelnemer door verboden gebieden heenvliegt, krijgt hij strafpunten of geen punten. Een wedstrijd is vaak onderverdeeld in verschillende klassen. De klassen worden onderverdeeld naar de handicap/eigenschappen van de zweefvliegtuigen.
[bewerk] Brevetten en prestatiebrevetten[bewerk] BrevettenIn Nederland gaf de overheid voor 1 oktober 2004 de brevetten uit onder de naam RPL(G) (Recreational Pilot Licence Glider). Tegenwoordig worden de brevetten uitgeven door de KNVvL onder de naam GPL (Glider Pilot License), als gevolg van de deregulering van de overheid. Het GPL is, net zoals het RPL(G), internationaal erkend. Het GPL wordt door veel zweefvliegers nog het ZVB (zweefvliegbewijs) genoemd. Voor het RPL(G) heette het brevet namelijk ZVB. Op het brevet kunnen verschillende aantekeningen staan, zoals bevoegdheid voor de lierstart, de sleepstart en instructie geven. Eisen voor het behalen van het GPL:
[bewerk] PrestatiebrevettenEen uitdagend aspect aan zweefvliegen is het halen van prestatiebrevetten (in het Engels badges). De eisen voor de lagere brevetten zijn per land verschillend. Voor Nederland (uitgegeven door de KNVvL):
De hogere brevetten, vanaf D (zilver), zijn vast gesteld door de Fédération Aéronautique Internationale. Voor Nederland:
[bewerk] Records[bewerk] Wereld
[bewerk] BelgiëDe Belgische majoor André Massaux vestigde op 26 juli 1925 een nieuw wereldrecord toen hij 10u41min in de lucht bleef. [bewerk] NederlandOp 10 en 11 juli 1937 werd boven de duinenstrook tussen Katwijk en Scheveningen door J.K. Hoekstra het huidige Nederlandse duurrecord gevestigd van 24 uur en 3 minuten. [bewerk] Externe links[bewerk] Referenties
|