hulpmiddelen |
Vuurwerkramp EnschedeDe vuurwerkramp Enschede, of kortweg de vuurwerkramp, vond plaats op zaterdag 13 mei 2000 in de Nederlandse stad Enschede. Bij de ramp vatte een opslagruimte met vuurwerk van het vuurwerkbedrijf S.E. Fireworks vlam.
[bewerk] De rampDe brand begon op het werkterrein van een pakhuis van S.E. Fireworks. In dit pakhuis lag ongeveer 900 kilogram vuurwerk opgeslagen. Het vuur verspreidde zich naar twee containers, die illegaal buiten het gebouw waren opgeslagen. De brandweer kon het vuur aanvankelijk niet bedwingen, en een derde container vatte vlam. Deze container ontplofte korte tijd later. Een kettingreactie van soortgelijke ontploffingen resulteerde uiteindelijk in de grootste ontploffing: die van de centrale bunker. Hierbij kwam 177 ton vuurwerk tot ontploffing. De ontploffingen vaagden de hele woonwijk Roombeek in Enschede weg. De grootste ontploffing was tot 60 kilometer ver te horen. Er vielen 23 doden en ca. 950 gewonden. Tweehonderd woningen werden volledig verwoest; ca. 1500 woningen buiten de wijk en ca. 500 omliggende bedrijven raakten zwaar beschadigd; 1250 mensen raakten dakloos. De materiële schade werd geschat op ongeveer 1 miljard gulden (454 miljoen euro). De beelden van de vuurwerkramp werden gemaakt door oud-journalist Danny de Vries van de regionale omroep RTV Oost. Deze televisiebeelden gaan al jaren de hele wereld over. De oorzaken van de ramp zijn nog steeds niet helemaal duidelijk. Opvallend is dat de brandweer ongeveer 15 minuten voor de grote explosie het sein "Brand meester" gaf. [bewerk] VeroordelingenDe twee directeuren van het bedrijf, Rudi Bakker (bijgestaan door mr. Peter Plasman) en Willie Pater (bijgestaan door mr. Gabriel Meijers) werden op 2 april 2002 door de rechtbank vrijgesproken van de schuld voor de dood van de slachtoffers. Zij kregen 6 maanden gevangenisstraf opgelegd, waarvan drie voorwaardelijk en een boete (2250 euro) voor het opzettelijk overtreden van een aantal milieuvoorschriften en handel in illegaal vuurwerk. Na drie maanden voorarrest kwamen zij vrij. Het gerechtshof in Arnhem veroordeelde de twee directeuren op 12 mei 2003 in hoger beroep echter tot een jaar celstraf. Volgens het hof hebben zij zich schuldig gemaakt aan het overtreden van milieuvoorschriften, illegale handel in vuurwerk en brand en ontploffing door schuld met de dood tot gevolg. Bakker is in cassatie gegaan, maar zonder succes. Ook tekende hij beroep aan bij het Europees Hof in Straatsburg, omdat hij geen eerlijk proces zou hebben gehad. Dit hof achtte zijn verzoek niet ontvankelijk. Op 22 mei 2002 veroordeelde de rechtbank in Almelo André de Vries tot vijftien jaar gevangenisstraf, wegens de brandstichting op het terrein van het vuurwerkbedrijf, die leidde tot de ontploffing van het opgeslagen vuurwerk. De veroordeelde, die bij de uitspraak van het vonnis de rechter te lijf wilde gaan, riep dat hij onschuldig is en ging in hoger beroep. Op 12 mei 2003 werd hij door het gerechtshof in Arnhem vrijgesproken van brandstichting. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank in Almelo. Het hof vond dat er geen overtuigend bewijs was voor zijn schuld, en dat hij daarom moest worden vrijgesproken. In het bijzonder vond het hof dat weinig bewijskracht uitging van de onsamenhangende verklaringen die De Vries had gedaan in het huis van bewaring. [bewerk] NasleepDe ramp heeft in Nederland geleid tot onderzoek naar regelgeving en regelhandhaving op het gebied van vuurwerk en andere ontplofbare stoffen door rijk en gemeente. Sommigen meenden dat laks overheidsoptreden de voorwaarden voor de ramp heeft geschapen en dat degene die de brand aanstak niet alleen verantwoordelijk mag worden gehouden. Ook meenden sommigen dat de in 2002 door de rechtbank opgelegde straffen niet met elkaar in verhouding waren. In 2005 schreef onderzoeksjournalist Alexander Nijeboer in de Nieuwe Revu dat twee militaire experts, die kort na de explosie op het rampterrein arriveerden, ontstekingsmechanismen (vermoedelijk van landmijnen) zouden hebben gezien.[1] SP-Kamerlid Krista van Velzen stelde naar aanleiding van de publicatie schriftelijke vragen[2] aan Staatssecretaris van Defensie Cees van der Knaap. Deze antwoordde dat er uit het rapport blijkt dat er geen enkele aanwijzing gevonden is voor de aanwezigheid van militair materiaal of bedreiging van hulpverleners. Er is voor zover bekend ook geen aangifte gedaan wegens bedreiging. [bewerk] Tijdlijn
[bewerk] Zie ook[bewerk] Externe link
|