hulpmiddelenin andere talen
|
Publius Cornelius TacitusPublius Cornelius Tacitus[1] (ca. 55-120) was een Romeins historicus, schrijver en redenaar. Hij wordt vaak gezien als Romes grootste historicus. Tacitus' sympathie ging duidelijk uit naar een republikeinse staatsvorm, eerder dan naar de willekeur van sommige keizers[2]. Hij schrijft over keizers en machthebbers met evenveel vanzelfsprekendheid als over personen van minder belang en geeft daarmee inzicht in het leven van zijn tijd.
[bewerk] BiografieTacitus is waarschijnlijk in 55[3] geboren in een provinciale familie uit Gallia Narbonensis (Fréjus of Vaison-la-Romaine) of Gallia Cisalpina (Padua). In 77 treedt Tacitus in het huwelijk met de dochter van consul van dat jaar Gnaius Iulius Agricola. Agricola is in 84 teruggeroepen door Domitianus uit Britannia. Agricola verdwijnt naar de achtergrond en zal in augustus 93 overlijden, min of meer vergeten. Zijn testament valt echter slecht uit voor Tacitus' echtgenote, want naast haar moeder ontvangt ook de princeps - hoewel die eerder nog verkondigd heeft geen erfenis te aanvaarden van iemand met kinderen - zijn deel met grote gretigheid. Toch belet dit Tacitus niet om een schitterende politieke carrière uit te bouwen. Een paar jaar na zijn huwelijk is hij waarschijnlijk al XX-vir (priestercollege bestaand uit 20 mannen) onder Vespasianus. Door G. Alföldy is er de zeer aannemelijke interpretatie geopperd dat Tacitus door Titus aangeduid is als quaestor Augusti (persoon die de toespraken van de keizer aan de Senaat schrijft én voorleest), aan de hand van een inscriptie in het grafmonument van Tacitus aan de Via Nomentana te Rome[4]. Waarschijnlijk oefent hij deze functie uit in 80 of 81 - ten laatste in 82. Als hij quaestor is geweest in 81, wil dit zeggen dat hij zowel voor Titus als voor diens broer Domitianus woordvoerder was, want Titus sterft op 13 september 81. Nu hij ex-quaestor is, wordt hij opgenomen in de Senaat als homo novus (eerste van een familie die in de Senaat zetelt). Uit de inscriptie (cf. supra) kunnen we ook opmaken dat hij in 84 of 85 de functie van aedilis overslaat en tot tribunus plebis wordt gekozen. In 88 is hij zelfs praetor (functie in de rechtspraak) én lid van het prestigieus priestercollege van de Vijftien of quindecimviri sacris faciundis. In 89 wordt hij voor vier jaar afgevaardigd voor een post in de provincies - waarover weinig bekend is. Wanneer Domitianus op 18 september 96 wordt vermoord door zijn naaste omgeving, zetelt de ongeveer veertigjarige Tacitus als consul suffectus voor het jaar 97 - vermoedelijk nog aangeduid door Domitianus - in de Senaat. Onder Trajanus behoort hij als ex-consul tot de elite van de senatoren en stort hij zich op de geschiedschrijving. In 112 en 113 is hij een jaar lang gouverneur van de provincie Asia, een felbegeerde post. Hij is vermoedelijk rond 120 gestorven als gereputeerd redenaar én historicus. [bewerk] Werken[bewerk] De vita et moribus Iulii Agricolae (Agricola)De vita et Moribus Iulii Agricolae of Agricola is een dertig pagina's tellende biografische schets van Gnaius Iulius Agricola - zijn schoonvader - door Tacitus uitgegeven in 98, ten tijde van Trajanus. Toch is het niet een traditionele biografie, want Agricola's levensverhaal wordt gebruikt ter illustratie van Domitianus' tirannieke gedrag en om Nerva en Trajanus lof toe te zingen. Het is onevenwichtig van opbouw door de hem - later - kenmerkende uitvoerige beschrijvingen van veldtochten, redevoeringen tot de soldaten en zijn aandacht voor de etnografie van Britannia en haar inwoners. R. Syme meent het werkje zelfs een document van Romeinse politieke literatuur te kunnen noemen[5]. Het werkje draagt ook sporen van retoriek - wat we ook in latere werken terugvinden - dat deels eigen is aan het genre dat de laudatio als vast element kent. [bewerk] De origine et situ Germanorum (Germania)De origine et situ Germanorum of Germania, dat in datzelfde jaar verschijnt, is een echte etnografie, waarin eerst Germania en de levenswijze van haar bewoners besproken wordt en vervolgens wordt uitgeweid over verschillende Germaanse stammen. Het is het enige bewaarde traktaat over dit volk en vormt daardoor een unieke bron voor onderzoekers. Het oude thema van contrast tussen het beschreven volk - de Germanen - en de Romeinen van zijn tijd heeft bij Tacitus zowel een moraliserend als informatief doel, want onder Trajanus wordt men nog steeds geconfronteerd met het reële dreigende gevaar dat uitgaat van de Germanen. Overwinningen die door opeenvolgende keizers verkondigd zijn doet hij af als historisch ongefundeerde propaganda van deze keizers. [bewerk] Dialogus de oratoribusDialogus de oratoribus is lange tijd omstreden geweest, maar er is nu toch een algemeen consensus dat het gaat om een werk van Tacitus, dat opgedragen is aan Lucius Fabius Iustus, consul suffectus in 102. Het heeft de vorm van een gesprek tussen de dichterredenaar Curiatius Maternus, de redenaars Marcus Aper en Iulius Secundus en ook Vipstanus Messalla in 75 over het verval van de redekunst gegoten. De oorzaken hiervan zijn volgens hem de opvoeding in het algemeen met de retoriek zelf in het bijzonder en de monarchale staatsinrichting die wel goed is als staatsvorm op zichzelf, maar geen aanzet geeft tot de ontwikkeling van grote en grootse redekunst. Hij concludeert dat literair begaafden zich nu nog enkel bezig houden met poëzie. Vaak beschouwt men deze dialoog als Tacitus' verantwoording voor het stopzetten van zijn toch wel goed lopende carrière als retoricus en zich toe te leggen op het enige dat hem nog rest: de geschiedschrijving. [bewerk] HistoriaeHistoriae is het eerste van Tacitus' grote en grootse historische werken, die we dankzij de briefwisseling tussen Tacitus en Plinius minor deels kunnen dateren. Zo blijkt dat hij rond 106 over het jaar 79 aan het schrijven is en dat hij bezig is met Domitianus' regering te behandelen in 109. Hij behandelt in dit werk de geschiedenis van Rome tijdens het driekeizersjaar 69 en onder de regering van de Flavii. Van de - vermeende - twaalf of veertien boeken rest ons slechts de eerste vier en het begin van het vijfde boek. Men meent het werk te kunnen verdelen in twee hexades, namelijk een eerste over de burgeroorlog onder Galba, Otho en Vitellius (I-III) en Vespasianus' regering (IV-VI); en een tweede over de jaren van stabiliteit onder Titus en de eerste jaren onder Domitianus (VII-IX) en ten slotte de duistere periode onder Domitianus van 89 tot 96 (X-XII). Dit alles blijft echter wel steeds speculatie. In zijn praefatio (voorwoord) wordt de dramatische ontknoping al min of meer aangekondigd en kondigt hij daarbij aan dat - indien de jaren hem gegund zijn - hij nog over Nerva's en Trajanus' bewind wil schrijven. [bewerk] Ab excessu divi Augusti (Annales)Ab excessu divi Augusti of Annales is Tacitus' tweede grotere historische werk dat handelt over de Julisch-Claudische dynastie vanaf de dood van de Vergoddelijkte Augustus, waarvan waarschijnlijk het grootste deel geschreven is onder Hadrianus' regering (117-138) en dus niet gaat over Traianus, noch Nerva (cf. supra). Van de vermoedelijke 18 boeken zijn slechts de boeken I tot IV in hun geheel bewaard, V en VI slechts gedeeltelijk, en XI tot XVI zonder hun respectievelijk begin of einde. De eerste zes zijn annalistisch van opbouw - vandaar de naam Annales, terwijl de laatste zich meer concentreren rond themata of personen. R. Syme meent dat deze stilistische wijziging verwijst naar een dieperliggende wijziging, namelijk de evolutie van het principaat naar het dominaat[6]. [bewerk] HeuristiekTacitus' bronnen voor de Agricola zijn grotendeels eerstehandsbronnen en vaak mondeling overgeleverd. Voor zijn Germania zijn waarschijnlijk het verloren gegane Bella Germaniae van Plinius maior - die vertrouwd is met Germania, Commentarii de bello Gallico van Caesar en Livius' boek CIV gebruikt als literaire bron. Over de Historia en Annales, waarop P. Fabia geprobeerd heeft het Einquellenprinzip op toe te passen[7], bestaat er nog geen vaste consensus. We kunnen echter wel aan de hand van de vele moderne auteurs hun visie ons een beeld vormen van welke bronnen Tacitus mogelijk gebruikt heeft. Tacitus zelf noemt, onder andere, Cluvius Rufus, Fabius Rusticus en Plinius maior (Ann. XIII 20.), maar er zijn er meer: Aufidius Bassus, Servilius Nonianus, Verginius Rufus, enzovoort. Mogelijk heeft hij ook gebruikgemaakt van verschillende memoires, zoals de commentarii van Agrippina minor, gedenkschriften van Claudius, enzovoorts. Als ex-consul en senator heeft hij ook toegang tot de acta senatus en diurna, waar hij documentaire bronnen kan aantreffen. Toch blijkt dat Tacitus deze gegevens niet letterlijk zal overnemen, maar in zijn eigen woorden verhalen, iets dat onder andere blijkt uit zijn weergave van de toespraak van Claudius over het toelaten van Galliërs in de Senaat, die zowel door Tacitus (Ann. XI 24.) als op de beroemde Lyon Tabula is weergegeven. Tacitus blijkt de strekking van de toespraak intact te laten, maar van de (kenmerkende) Claudiaanse stijl, blijft weinig over. Een andere recente epigrafische vondst, de Senatus Consultum de Cn. Pisone patre, lijkt de Taciteïsche behandeling van officiële documenten te bevestigen. De inhoud blijft grotendeels behouden, maar de vorm verandert. Hij maakt waarschijnlijk ook gebruik van mondelinge bronnen en het is zeker dat hij brieven schrijft naar mensen zoals Plinius minor, met wie hij bevriend is, om informatie op te vragen (cf. supra) omtrent de uitbraak van de Vesuvius en de dood van zijn oom. Het is echter belangrijk te overwegen dat Tacitus niet slechts historicus is, maar ook een aanzienlijk politicus, bestuurder, kind van zijn tijd en bovenal literator. Zijn beroemde uitspraak sine ira et studio (zonder woede of berekening) is een nobel streven, maar al bij de behandeling van de regering van Tiberius blijkt de uitspraak niet meer te zijn dan dat. [bewerk] ParallelbronnenNaast Tacitus zijn er nog veel andere auteurs die ons werken hebben nagelaten over de Julisch-Claudische dynastie. De voornaamste zullen hier kort worden besproken. Velleius Paterculus (ca. 19 v.Chr. - 31) was een soldaat die diende onder Tiberius. Hij schreef een algemene - maar korte - algemene Romeinse geschiedenis tot aan 30 n. Chr., een jaar voor Seianus' val. Zijn taal is niet zo literair als die van Tacitus, maar hij geeft een positiever beeld van de princeps Tiberius en is een contemporain getuige. Suetonius (69/70 - 140) was een jongere tijdgenoot van Tacitus en biograaf. Zijn thematisch opgebouwde keizersbiografieën zijn doorspekt met pittige anekdotes, maar hij vergeet vaak het groter geheel. Cassius Dio (155 - na 229) is een geromaniseerd Grieks senator die meer dan een eeuw later de laatste algemene Romeinse geschiedenis heeft geschreven tot aan zijn eigen tijd. Hij schijnt enorme hoeveelheden informatie te hebben verzameld, maar hij kan ons helaas niet alles meedelen, daar een algemene geschiedenis veel schrapwerk vereist. Hij geeft een neutraler beeld van princeps Tiberius en schijnt ook positieve bronnen te hebben geraadpleegd. Tacitus springt er echter uit door zijn literaire waarde en synthetiserende opbouw. Hij wordt nog vaak beschouwd als dé bron voor het vroege principaat, maar stilaan worden de parallelbronnen ook meer gewaardeerd en beschouwd als een belangrijke aanvulling op Tacitus' monografie. [bewerk] Stijl en taalgebruikTacitus valt onder de schrijvers van het zogenaamde Zilveren Latijn. Het valt echter op dat hij nog relatief vaak de indicativus gebruikt in bijzinnen binnen de indirecte rede, hetgeen in zijn tijd steeds ongebruikelijker werd. Dit valt mogelijk te verklaren vanuit Tacitus' opleiding als redenaar. [bewerk] Voetnoten
[bewerk] Bibliografie
[bewerk] Vertalingen & edities
[bewerk] Keizers in Tacitus' werken
[bewerk] Online bibliografieën
[bewerk] Externe links
|