hulpmiddelen |
Limburgs
Limburgs is na het Nederlands de tweede taal van Nederland wat betreft het aantal sprekers (circa 1 miljoen in Nederlands Limburg en ca 650.000 sprekers in het Belgisch gedeelte van Limburg, alsook nog een 200.000 sprekers in Duitsland). Limburgs is naast het Fries en het Nedersaksisch een van de drie erkende streektalen in Nederland en wordt vooral gesproken in Belgisch Limburg, in Nederlands Limburg, alsmede in een aan Nederlands Limburg grenzend deel van Noord-Rijnland-Westfalen (Duitsland). Het Limburgs wordt gekenmerkt door een grote interne diversiteit.
[bewerk] Limburgs (taalkundig)[bewerk] Classificatie
[bewerk] Taalkundige geschiedenis
Plaats van het Limburgs (oranje) tussen de andere minderheidstalen, streektalen en dialecten in de landen van de Benelux
Het Limburgs vindt zijn oorsprong in het Oudnederlands, en specifiek in de Oostnederfrankische variant hiervan. Het grootste verschil met het Westnederfrankisch (vooral Vlaams, Brabants en Hollands) was, dat vanaf de vijfde eeuw na Christus het oostelijke deel van het Oudnederlands voor een gedeelte de tweede Germaanse klankverschuiving overnam. Hierdoor zijn de overeenkomsten tussen het Limburgs en het Duits groter dan bij Nederlandse dialecten en andere streektalen. Het moderne Duits nam echter veel verder deel aan de klankverschuiving. De oudste Nederlandse literatuur is voor een deel in Limburg ontstaan, zie Hendrik van Veldeke. Naarmate de Lage Landen zich ontwikkelden en uiteindelijk een zelfstandige republiek vormden, bewoog de regio nu bekend als Limburg zich langzaam naar de periferie. Bovendien was Limburg eeuwenlang veel meer versnipperd dan de andere Nederlandse gewesten. Het vormde zelf geen politieke factor, maar was eerder een speelbal van de omringende machten. Een stad als Maastricht bleef weliswaar een cultureel centrum, maar hier sprak de elite liever Frans. Het zwaartepunt van de economische en culturele ontwikkeling van de Nederlandse gewesten kwam echter vooral in de kustgebieden te liggen, met name in het gewest Holland. Tijdens de ontwikkeling van de Nederlandse standaardtaal uit de verschillende Nederlandse dialecten werden dan ook weinig specifiek Limburgse kenmerken overgenomen, omdat de dialecten van de rijke en belangrijke gewesten (Holland en Zeeland), alsmede de culturele elite (veel Brabanders en Vlamingen die na 1585 uit de Zuidelijke Nederlanden gevlucht waren) meer status hadden. Zodoende werd de afstand tussen de Limburgse dialecten en het Standaardnederlands vergroot. [bewerk] Franse en Duitse invloedenGezien de ligging tussen drie Europese culturen, de Nederlandse, Franse en Duitse, is het niet verwonderlijk dat de plaatselijke dialecten hier sporen van laten zien. In de loop van de geschiedenis werden verschillende delen van het moderne Limburg opgedeeld of behoorden toe aan vorstendommen waarvan het grootste deel zich niet in de Nederlanden bevond. In Belgisch Limburg en Maastricht werd tot ver in de 20e eeuw Frans gesproken door de hogere burgerij. In het uiterste zuidoosten langs de Duitse grens (Heerlen en Kerkrade) kende men beter StandaardDuits dan Standaardnederlands. Veel Limburgse termen hebben een Franse of Duitse oorsprong. Wel moet worden opgemerkt dat deze termen steeds vaker vervangen worden door inheemse (Nederlandse) termen, door de aanwezigheid van Standaardnederlands sind het begin van massa-onderwijs in de 18e en 19e eeuw. Enkele voorbeelden van Duitse en Franse invloeden:
In Belgisch Limburg is de Franse invloed ook na 1839 (splitsing van Limburg) blijven bestaan en zelfs versterkt. Dit hangt samen met de sociaal zwakke positie van het Nederlands als standaardtaal en de sterke positie van het Frans als belangrijkste (en lange tijd enige) officiële taal van België tot aan de Tweede Wereldoorlog. Daardoor telt het Belgisch Limburgs, zoals ook andere Nederlandstalige dialecten in België, een groot aantal Franse leenwoorden, vooral op het vlak van nieuwe technologieën en de administratie. Algemene voorbeelden zijn remorque voor aanhangwagen, compteur voor elektriciteitsmeter, embrayage voor koppeling, kader voor fietsframe, camion voor vrachtwagen, facteur voor postbode, madame als aanspreking voor mevrouw, maar ook samenvoegingen zoals vitessebak voor versnellingsbak. Deze Franse invloed is het sterkst in het Zuidwestlimburgs, bijvoorbeeld in de dialecten van St. Truiden en Tongeren op de taalgrens, mede omdat veel Limburgers nog tot ruim de tweede helft van de twintigste eeuw gingen werken in het industriecentrum rond Luik. Ook kende de provinciehoofdplaats Hasselt nog lang een Franstalige bourgeoisie. [bewerk] AGLEen aantal Limburgers heeft het initiatief genomen om de het Limburgs dialect te standaardiseren. Zo heeft de werkgroep Algemeen Geschreven Limburgs een gelijknamige schrijftaal ontwikkeld (vaak afgekort tot AGL), die bedoeld is om boven de dialecten te staan. Deze schrijftaal is bewust zo ontwikkeld dat ze met geen enkel Limburgs dialect volledig overeenkomt. Het initiatief heeft tot nu toe weinig weerklank gevonden. Een voorstel om het op provinciaal niveau te gebruiken werd niet aangenomen. Werkgroeplid Paul Prikken schreef een aantal jaar lang in een Limburgse krant columns in deze taal. Opgemerkt moet worden dat het hebben van een schriftelijke standaard nog geen zelfstandige taal maakt. Er zijn vele zelfstandige talen zonder standaard en veel (stads)dialecten die er wel een hebben. [bewerk] Definitie van het LimburgsVaak wordt van het Limburgs gedacht dat het één geheel vormt, of dat dit het gemeenschappelijke dialect van beide Limburgen is. Dit is echter niet het geval. Het Limburgs is niet simpelweg het dialect van Limburg. Zo wordt in er in Zuidoost-Brabant Limburgs gesproken, en spreekt de westzijde van Belgisch-Limburg Brabants. Het Limburgs zelf vormt als dialect ook geen geheel. Het wordt verdeeld door verschillende isoglossen. De belangrijkste zijn:
Deze scheidingslijnen doorsnijden op verschillende plaatsten het Limburgs dialectgebied. Dit is een van de redenen dat veel mensen die Limburgs spreken hun dialect zelf geen Limburgs noemen, maar bijvoorbeeld Maastrichts of Roermonds. Dit komt omdat ze door de vele verschillen in uitspraak en woordgebruik het Limburgs niet als een geheel zien. Bovendien volgt Limburg hierin een Rijnlandse traditie, waarin het stads- en dorpseigene sterk wordt gekoesterd, zoals ook bij carnavalsvieringen en uit andere folkloristische uitingen blijkt. In het noorden loopt het Limburgs over in het Brabants. De dialecten rond en boven de gemeente Horst aan de Maas geven een overgang van het Limburgs naar het Brabants te zien, en zouden in principe onder beide gerangschikt kunnen worden. [bewerk] Kenmerken van Limburgse dialectenEen uitgebreide behandeling is te vinden onder het aparte lemma Limburgs (kenmerken). [bewerk] Eenheid van het LimburgsEen gestandaardiseerde variant van het Limburgs is er niet, al poogt men wel te komen tot een Algemeen Geschreven Limburgs. De Limburgse dialecten vormen een continuüm met de Belgische dialecten ten oosten van de Duits-Nederlandse staatsgrens. Hoewel de Limburgse dialecten alle aan de Frankische stam ontspruiten, is de dialectische verscheidenheid in het Limburgs groot; de variëteiten die in Noord-Limburg worden gesproken, zoals Venloos en Venrays, hebben veel gemeen met de Brabantse en Zuidgelderse dialecten, en wijken daarin af van de Zuid-Limburgse dialecten (zoals Maastrichts en Sittards), die door hun fonologie (onder andere toon als betekenisonderscheidend kenmerk) en andere Rijnlandse elementen een bijzondere positie innemen. Dat, en het gegeven dat de Hoogduitse standaardtaal tot diep in de twintigste eeuw de rol van cultuurtaal in Nederlands Zuid-Limburg heeft vervuld, maakt dat de variëteiten in plaatsen als Kerkrade, Bocholtz en Eygelshoven dichter bij de Duitse dan bij de Nederlandse standaardtaal staan. Een nieuw gegeven is, dat in Nederlands Limburg het centraal-Limburgs van steden als Weert, Sittard en Roermond onder de jongere sprekers van het Limburgs aan prestige wint, waardoor het zich tot een soort algemeen Maaslands-Limburgs lijkt te ontwikkelen. In het midden van Belgisch Limburg ligt een groep van dialecten die de overgang naar het Zuid-Brabants aankondigt. Zo verdwijnt naarmate men meer naar het westen trekt het woordje doe/dich, transformeert de sj- naar sch- en krijgen de klinkers weer bij benadering hun Nederlandse waarden (een belangrijke uitzondering is de Belgisch-Limburgse ontronding). Tenslotte verdwijnt ook het verschil tussen sleeptoon en stoottoon en uiteindelijk de woorden ich en mich. Het Genks, het Tongers, het Hasselts, het Truierlands, het Tienens en het Lommels laten duidelijk een geleidelijke afname van Limburgse kenmerken zien. [bewerk] Tekstvoorbeelden[bewerk] Onze VaderOnzevader (Valkenburgs)
[bewerk] Enkele Limburgse termenEen willekeurig aantal (Nederlands) Limburgse woorden en hun (vertaling) naar het Standaardnederlands:
[bewerk] Limburgs (politiek)[bewerk] Status als streektaalDe Nederlandse overheid erkent sinds 1997 het Limburgs en het Nedersaksisch als streektaal die bescherming geniet onder hoofdstuk 2 van het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden. Het Limburgs geniet in dezen dezelfde bescherming als het Nedersaksisch. In België en Duitsland geniet Limburgs geen bescherming onder het handvest. [bewerk] Zie ook[bewerk] Externe links
|
|||||||||||||||||||||||||