hulpmiddelenin andere talen
|
Eenzaadlobbigen
De eenzaadlobbigen, ook wel monocotylen genoemd, zijn een omvangrijke groep van planten. Zowel de Nederlandse en wetenschappelijke naam verwijzen naar het gegeven dat meer dan de helft van de leden één cotyl per zaad (lijkt te) hebben. Tot de eenzaadlobbigen behoren vele planten waarvan het zaad van groot economisch belang is, zoals granen, grassen, orchideeën, palmen et cetera.
[bewerk] Wetenschappelijke naamgevingSinds lang wordt deze groep erkend en herkend als een afgebakende eenheid. De traditionele wetenschappelijke naam is Monocotyledones en tot in lengte van jaren zal deze naam wel in gebruik blijven. Sommigen prefereren de schrijfwijze Monocotyledoneae. De groep kan ook andere namen krijgen, de ICBN laat aanmerkelijke vrijheid boven de rang van familie. In het Cronquist systeem werd deze groep behandeld als een klasse met een naam gevormd uit de familienaam Liliaceae, te weten Liliopsida. Het Dahlgren systeem behandelde deze groep als een subklasse, met als naam Liliidae. Het APG II systeem hanteert de naam monocots, wat wel zo eenvoudig is. De 23e druk van Heukels vertaalt dit als "eenzaadlobbigen". Traditioneel vormen monocotylen samen met de dicotylen een groep die bloeiende planten, Anthophyta, of bedektzadigen, Angiospermae, heet. In de naamgeving van Cronquist heet deze groep Magnoliophyta. De dicotylen heten bij Cronquist Magnoliopsida, maar voor het overige Dicotyledones (dan wel Dicotyledoneae). De conclusie van de APG is dat de dicotylen geen natuurlijke groep vormen, en dus geen naam zouden mogen krijgen. Een groot deel van de dicotylen vormt samen wel een "goede groep": deze krijgt dan de naam eudicots mee. [bewerk] KiemingBij veel eenzaadlobbige planten zit het reservevoedsel opgeslagen in het endosperm of kiemwit. In het zaad zit slechts één kiemlob (scutellum of schildje), die het voedsel vanuit het endosperm doorgeeft aan het kiemplantje. Als eerste komt een soort buisje (rechts op de foto), het coleoptyl, boven de grond. Hierin zit het eerste blaadje (links). Grasachtigen zoals granen, maïs en gras zijn voorbeelden van eenzaadlobbigen. Ook bloemen als lelies, orchideeën, tulpen en narcissen behoren tot deze groep van planten. [bewerk] Vergelijking tussen een- en tweezaadlobbigen
[bewerk] TaxonomieIn het APG II systeem (2003) onderkent in de "monocots" tien ordes waarvan een aantal in de subgroep 'Commeliniden'. De overige worden soms aangeduid als 'basale eenzaadlobbigen', hoewel het hier niet gaat om een samenhangende groep. Alle families in de eenzaadlobbigen die door APG II erkend worden hebben een eigen artikel, waarvan hieronder alleen de families aangeduid worden die een Nederlandstalige naam hebben. Voor een complete lijst van families zie de beschrijving van de ordes. Basale eenzaadlobbigen
Commeliniden
Daarnaast zijn de families Petrosaviaceae en Dasypogonaceae nog niet ondergebracht in een orde.
|